Edvard Munch
(1863 – 1944)
Munch verliet Noorwegen in 1889 om te gaan studeren in Parijs, waar hij invloeden van het impressionisme en van Gaugain, Van Gogh en Seurat onderging. Maar naar zijn hele wezen behoorde hij tot die sombere, Scandinavische wereld van introspecties en neurotische obsessies. Die intens pessimistische, fatalistische wereld van de toneelstukken van Ibsen en Strindberg.
Zijn schilderijen geven uitdrukking aan vaak onevenwichtige gemoedstoestanden, vaak in reeksen werken met een voortdurend opeenstapelend karakter: het wordt steeds erger. Het thema van zijn Levensfries, waarmee hij jarenlang bezig was, is lijden door liefde. In een cyclus uiterst subjectieve voorstellingen beeldt Munch achtereenvolgens gemoedstoestanden als aantrekkingskracht, vereniging, ontgoocheling, jaloezie en wanhoop uit. Hoewel de cyclus nooit werd voltooid, is het de meest indrukwekkende uitbeelding die een kunstenaar van de desillusie van het leven heeft gegeven.
Het hoogtepunt wordt gevormd door Munchs beroemdste schilderij, De Schreeuw uit 1893.
Behalve Parijs is ook Berlijn van groot belang geweest voor de carrière van Munch. Aanvankelijk werd deze buitenlander weggehoond, later echter werd hij zeer geprezen. Veel Duitsers dachten zelfs dat Munch een landgenoot van hen was. In zijn “Duitse“ tijd brak hij internationaal door. In Duitsland werd hij zeer bewonderd door de latere expressionisten, die in hem een voorloper zagen. Het laatste deel van zijn leven heeft Munch op een landgoed in de buurt van Oslo doorgebracht.
Ad van der Jagt
